Wat betekent „langlaufen” in het Nederlands?
De vier seizoenen uitgelegd in eenvoudig Nederlands
A1 Dutch luisteroefening · Vlaams-Nederlands · Geschikt voor beginners
Het Nederlands overneemt langlaufen onvertaald uit het Duits — geen vertaling, geen aanpassing — voor langlaufen: de zelfaangedreven variant op vlak terrein, niet de afdaling. Het samenstel bestaat uit lang (lang) + laufen (rennen), en het Nederlands had het al in 1924 geadopteerd. Het staat naast de eigen term cross-country skiën; de twee namen bestaan gelijkwaardig naast elkaar in het alledaagse taalgebruik.
In de clip noemt de spreker winteractiviteiten tijdens een wandeling door de sneeuw: “Je kan cross-country skiën of langlaufen zoals het ook wel heet” — “Je kunt cross-country skiën, of langlaufen zoals het ook wel heet.” Die beilopende opmerking geeft een mooi inzicht in de onbezorgde omgang van het Nederlands met Duitse sporttermen: als een Duits samenstel al duidelijk en gevestigd is, houdt het Nederlands het gewoon aan. In het Duits zijn Langlauf (zelfstandig naamwoord) en langlaufen (werkwoord) eveneens standaard, waar de sport ook Skilanglauf heet. Het Nederlandse werkwoord buigt normaal: ik langlauf, hij langlauft, we zijn gaan langlaufen.
Woordfrequentie
Hoe vaak komt de woordenschat voor in Dutch luisteroefening op A1-niveau?
Algemene woordfrequentie in het Nederlands
Woordfrequentie in gesproken Nederlands
Woorden boven het niveau van deze video
Korte uitleg bij woorden die verder gaan dan het A1-niveau van deze video.
Bron: wordfreq 3.1.1 (algemeen) · SUBTLEX-NL 2014 (gesproken). Categorieën zijn bij benadering; we slaan exacte rangordes niet op.